We gaan een landschap maken van ongeveer tweederde hectare. Nu is dat nog een gebied van monocultuur aan landbouw, waar dit jaar de uien de grond in gaan. Ook de aangrenzende strook bos kent een monocultuur van essen. Om een landschap te laten ontstaan, moeten we dus de randvoorwaarden voor verschillende biotopen laten ontstaan.

Voor die biotopen zijn lichtinval (hoeveel zon is er?), natheid of droogte (hoe hoog is het?) en de grondsoort (zuur, zilt, venig, zanderig) van belang. De basisgrondsoort is klei en dat zal ook zo blijven. Alleen in specifieke biotopen zullen we proberen hier verandering in aan te brengen. Wel hopen we dat het toevoegen van organisch (bos) materiaal de ontwikkeling van het gebied versneld.

Het aanleggen van verhogingen (in de aardwal tegen het huis) en de grote plas zullen een forse ingreep in het landschap zijn. We gaan daarbij uit van een grondbalans van nul. Behalve benodigde zandhoeveelheid voor lokale drainage zullen we geen forse hoeveelheden grond toevoegen.

Het ontwikkelen van het landschap zal in generaties plaatsvinden. Enerzijds omdat wij niet alles in één jaar kunnen (en willen) aanleggen, anderzijds omdat voor het uitgroeien van bijzondere productiesoorten als tamme kastanjes, hazelaars en bessen tijd nodig is om uit te groeien en de planten onderling tot een evenwicht te laten komen. De pionierbomen (veelal wilgen en populieren, maar ook haagbeuk) die in de eerste plantrondes beschutting moeten genereren voor de andere soorten, gaan vooraf aan de duurzame soorten. Daar waar de meerjarige planten nog niet aanslaan zullen wij het gebied inzaaien met een kruidig mengsel.